Cookies 🍪

Deze site gebruikt cookies waar we je toestemming voor nodig hebben. Meer informatie

Doorgaan naar content
Verhalen

Divosa Benchmark Festival 2026: ‘Eenvoud vraagt om nabijheid én bescheidenheid’

Armoede & Schulden Statushouders & Inburgering Werk & Inkomen

Gepubliceerd op: 7 oktober 2026 | Laatste update: 7 oktober 2026

Eenvoud klinkt als een belofte waar je moeilijk tégen kunt zijn. Minder regels, begrijpelijke brieven, sneller de juiste ondersteuning. Ook het regeerakkoord zet in op vereenvoudiging in het sociaal domein. Maar wat vraagt dat van gemeenten en hun uitvoering?

Op het Divosa Benchmark Festival 2026 zoeken bestuurskundige Paul Frissen en Martien van Hoof, afdelingshoofd Werk en Inkomen bij de gemeente Oss, naar een antwoord. Paul waarschuwt voor de ambities van de staat, Martien zoekt ruimte om inwoners beter te helpen. Gaandeweg komen ze bij dezelfde vraag uit: hoeveel ruimte laten we mensen om hun eigen leven te leiden?

Goede bedoelingen maken het ingewikkeld

Paul Frissen neemt eerst het begrip eenvoud zelf onder de loep. De bestuurskundige en emeritus hoogleraar onderzoekt al ruim veertig jaar hoe de overheid werkt en wat haar optreden voor burgers betekent. Hij staat bekend om zijn kritische blik op de maakbaarheidsgedachte: hoeveel kan de overheid oplossen, en wanneer gaan goede bedoelingen ten koste van de vrijheid van inwoners? Ook overheidstaal boeit hem. Menselijke maat, maatwerk, integraliteit: zodra iedereen zo’n begrip omarmt, wordt Paul nieuwsgierig. En een beetje argwanend. Met eenvoud is het niet anders. Wat willen we eigenlijk vereenvoudigen, en wat geven we daarvoor op?

Juist goede bedoelingen maken beleid ingewikkeld, legt hij uit. We willen rekening houden met bijzondere omstandigheden, onrecht repareren en voorkomen dat mensen buiten de boot vallen. Voor iedere uitzondering komt er een regeling, voor ieder ongewenst effect een correctie. ‘Als al die goede bedoelingen terechtkomen in wetgeving en in beleidssystemen, worden die vanzelf ingewikkelder en complexer.’ De samenleving blijft immers verschillen voortbrengen waarop beleid weer moet reageren.

Als alle goede bedoelingen terechtkomen in beleidssystemen, dan worden die vanzelf ingewikkelder

- Paul Frissen

Daarachter ziet hij een hardnekkig geloof dat de overheid de samenleving naar haar hand kan zetten. ‘Ik heb veertig jaar lang gehoord dat de overheid terugtreedt, dat die kleiner wordt en minder gaat doen. Ik heb het omgekeerde gezien.’ De overheid blijft doelen stellen voor hoe mensen zouden moeten leven. Paul vraagt de zaal: ‘Wie ben ik om mijn ambities via de overheid aan de wereld op te leggen?’ Dat geldt óók als je inwoners iets goeds wilt brengen. Wie eenvoud wil, moet de eigen ambities onderzoeken: wat proberen we allemaal met één regeling te bereiken, en kan het minder?

De inwoner midden in het schema

Paul toont een ingewikkeld schema van organisaties en verbindingen, met de inwoner in het midden. De cliënt centraal, zou je zeggen. Maar die geruststellend klinkende plek vindt hij vooral huiveringwekkend. ‘Daar moet je vooral niet willen zijn.’ Al die instanties hebben iets met je voor. Wie overziet nog wat hun bemoeienis bij elkaar betekent?

Voor inwoners met geldzorgen is dat een herkenbare werkelijkheid. Hun leven houdt niet op bij Werk en Inkomen: een probleem met werk kan samengaan met schulden, ziekte of zorgen over de kinderen. Naast de gemeente zijn bijvoorbeeld UWV, de Belastingdienst, Dienst Toeslagen of de SVB betrokken. Ook wonen, zorg en onderwijs kunnen meespelen. Wat binnen iedere organisatie logisch is ingericht, kan zo in één huishouden behoorlijk ingewikkeld uitpakken.

Impressie Divosa Benchmark Festival 2026

Vertrouwen is ook ruimte laten

Bij die bemoeienis speelt ook macht, benadrukt Paul. Hij spreekt consequent over ‘de staat’ om daaraan te herinneren. Dezelfde organisatie die helpt, kan controleren en verplichtingen opleggen. Goede bedoelingen nemen die ongelijkheid niet weg.

Ook bij de menselijke maat zet hij daarom een vraagteken: wiens maat is dat? Een professional kan oprecht denken dat een keuze beter is voor een inwoner. Maar, zegt Paul: ‘Vrijheid betekent dat mensen dingen doen die onverstandig zijn.’ Hulp kan ongemerkt de boodschap krijgen: word zoals wij. Dan verandert solidariteit in een oordeel over hoe iemand leeft.

Bovendien kan een volgende politieke meerderheid dezelfde mogelijkheden anders gebruiken. Wie beleidsinstrumenten ontwikkelt, moet zich volgens Paul afvragen: ‘Hoe gevaarlijk zijn die in handen van anderen?’ Meer gegevens koppelen of eerder achter de voordeur komen is daarmee nooit vanzelfsprekend een praktische verbetering.

Dat betekent niet dat er niets eenvoudiger kan. Paul ziet wel degelijk mogelijkheden: preciezer uitleggen wat je bedoelt, kritisch kijken naar de bewijslast die bij inwoners ligt. ‘Iets minder strengheid helpt ook altijd.’ Uiteindelijk zou sociale zekerheid mensen zekerheid moeten bieden, in plaats van hen voortdurend te laten vrezen dat zij iets verkeerd doen.

Impressie Divosa Benchmark Festival 2026

Dertien regelingen en één gesprek

Hoe werkt dat in de praktijk? Martien van Hoof kent de spanning met beleidsambities van binnenuit. Hij werkt al 25 jaar bij de gemeente Oss en onderzoekt als afdelingshoofd Werk en Inkomen dagelijks hoe gemeentelijke ondersteuning inwoners verder helpt. Waar Paul uitzoomt naar de staat, begint Martien bij het contact met de inwoner. Ook in Oss tekenen professionals ingewikkelde schema’s, vertelt hij met zelfspot. Samenwerken met andere gemeenten, financiering organiseren, verantwoordelijkheden verdelen: voor je het weet groeit het aantal pijlen. ‘Het lukt ons om het altijd complex te maken.’ De vraag is hoeveel de inwoner daarvan moet merken.

Martien neemt de zaal mee naar een eerdere verandering in Oss. De gemeente had zo’n dertien regelingen voor inwoners met een laag inkomen en bracht de toegang daartoe samen in één gesprek, met één beschikking. In dat gesprek onderzochten professional en inwoner wat nodig was. ‘Wij wisten wat we op de plank hadden liggen’, vertelt Martien. De inwoner hoefde daarvoor niet zelf alle regelingen te doorgronden.

Dat vraagt vakmanschap: je moet de mogelijkheden kennen om ze te benutten. Martien verwijst naar een voorbeeld dat Paul eerder aanhaalde: dat van de sterk geprotocolleerde operatiekamer in het ziekenhuis. Ook daar moet een professional weten wanneer afwijken nodig is. ‘Als je je protocollen kent, weet je ook wanneer je ervan kunt afwijken.’ Regels kennen en zorgvuldig oordelen horen bij elkaar.

Eenvoud is zorgen dat inwoners geen last hebben van onze complexiteit

- Martien van Hoof

‘Wat mij betreft is eenvoud: terugbrengen tot de essentie van ons werk’, vervolgt Martien. Inwoners helpen om mee te doen, en bijdragen aan een samenleving waarin mensen elkaar ondersteunen. Meedoen mogelijk maken vraagt om samenwerking over afdelingsgrenzen heen. ‘Koffie en charme’ hielpen hem daarbij jarenlang op weg. Maar goede onderlinge contacten alleen zijn niet voldoende om die werkwijze vol te houden.

Nabij zijn en weer uitvoegen

Martien brengt de inwoner dicht bij de mensen in de zaal. ‘Die inwoner, dat zijn wij ook.’ We verliezen werk, worden ziek of maken een scheiding mee. Vaak overwinnen we tegenslag met hulp van mensen om ons heen. Soms lukt dat niet. Dan moet iemand beschikbaar zijn die luistert en verder kijkt dan de regeling waarvoor hij verantwoordelijk is. Martien vertelt over een collega die voor zijn vijftigste verjaardag maar één cadeau vroeg: tijd om elkaar te ontmoeten en te spreken. Die gedachte neemt hij mee naar de uitvoering: kunnen we ook voor inwoners die ondersteuning nodig hebben die tijd en aandacht vrijmaken? ‘Een mens wordt mens in nabijheid van anderen.’

In Oss krijgt dat vorm in de Samenwerkwijze. Inwoners zoeken met hun eigen netwerk en beroepskrachten naar oplossingen voor hun hulpvragen; hun vraag geeft richting. Dat vraagt tijd en aandacht, en professionals die in de buurt zijn zonder zich op te dringen. Martien omschrijft hun rol als volgt: ‘Invoegen op het moment dat tegenslag niet overwonnen kan worden. Iets toevoegen en vooral ook uitvoegen.’ Zodat de inwoner zijn leven weer kan vervolgen.

Op dat punt raken zijn verhaal en dat van Paul elkaar. Paul zoekt meer ruimte voor maatschappelijke initiatieven en verbanden waarin mensen zelf solidariteit organiseren. Martien wil aansluiten bij wat in buurten en netwerken aanwezig is. Ook hij waarschuwt voor professionals die vanuit hun eigen opleiding en positie menen te weten wat goed is voor een ander.

Toch verdwijnt daarmee de spanning niet. Nabijheid kan steun bieden en tegelijk bemoeienis worden. Ruimte geven vraagt dat je accepteert dat je niet alles beheerst. Juist daar wringt het vaak, merkt Martien: ‘We willen initiatieven de kans geven, maar dat moet dan wel zonder risico. Dat is een tegenstrijdige beweging.’ Vertrouwen vraagt dat je volgt wat er gebeurt, zonder iedere onzekerheid met nieuwe voorwaarden dicht te regelen.

Paul Frissen en Martien van Hoof

Verschillen begrijpen of gladstrijken?

Die spanning raakt ook het dagelijkse werk van gebruikers van de Divosa Benchmark. Cijfers maken verschillen zichtbaar en helpen om vragen te stellen over de uitvoering. Maar wat doe je vervolgens met zo’n verschil? Wil je begrijpen wat erachter zit, of zie je vooral iets wat moet worden rechtgetrokken?

Paul herkent dat laatste in de omgang met decentralisatie. Gemeenten krijgen ruimte om lokaal keuzes te maken, maar zodra daar verschillende uitkomsten uit voortkomen, klinkt de roep om die verschillen te corrigeren. Terwijl meer lokale ruimte juist betekent ‘dat je echt verschillen krijgt’, zegt hij. Wie die ruimte serieus neemt, moet zich dus afvragen welke verschillen daarbij mogen horen. Martien herkent het mechanisme: ook in een gestandaardiseerd systeem vinden we altijd weer een groep voor wie een aanvullende oplossing nodig lijkt.

Dat maakt het de moeite waard om in een benchmarkgesprek door te vragen. Wat zit achter een verschil in kosten, bereik of uitstroom? Welke keuzes maakte een gemeente, voor welke inwoners en onder welke omstandigheden? Een lager bedrag vertelt op zichzelf nog niet of iemand beter is geholpen. En een gemiddelde laat niet zien hoe ingewikkeld de route naar ondersteuning voor een afzonderlijke inwoner was.

Het Osse voorbeeld maakt concreet wat je naast de cijfers zou willen weten. Wat betekent de veranderde toegang voor inwoners? Hoe vaak moeten zij hun verhaal vertellen, en begrijpen ze waar ze recht op hebben? Hun ervaringen helpen om cijfers te duiden en te bepalen wat je van een andere gemeente kunt leren. Blijken knelpunten tussen regelingen telkens terug te keren, dan kunnen die bovendien aanleiding zijn om gezamenlijk het gesprek met het Rijk te voeren.

Waar zijn we wel en niet van

Zo blijkt eenvoud tijdens dit festival een veeleisende opdracht. Martien zoekt haar in vakmanschap, tijd en aandacht, met leidinggevenden die helpen de bedoeling van het werk vast te houden. Paul vraagt bescheidenheid over wat de staat kan en mag veranderen aan het leven van mensen.

Aan het einde van het gesprek met Paul en Martien komen die twee lijnen nog eenmaal samen. Wie vraagt waar hij als organisatie van is, moet zich volgens Paul ook afvragen: ‘Waar zijn wij ook niet van?’ Martien beaamt het meteen. Juist dat laatste is lastig. ‘Dat vereist dat je keuzes maakt, dat je risico’s loopt, en dat vinden wij heel lastig.’ Maar wie iedere onzekerheid wil oplossen, heeft de volgende regeling alweer bijna geschreven. Ook voor het gesprek over de Benchmark blijft daarmee een bruikbare vraag over: wat moet de gemeente beter doen, en waar moet zij vooral ruimte laten?